Alles over slotenmaker Maaseik

Op de noordoosthoek aangaande laatstgenoemde steeg woonde ons wielmaker in ons woonhuis het bij een naam over ‘’t Soutvatt’ vertrouwd was.

Welke woning heette ‘Indt Witte Paert’ en  vlak tevens ‘Inde 3 Clockgens’ was een winkel van Doe Romboutsz, lakenkoper. (Dat de hedendaagse ‘marchants-tailleurs’ geen combinatie van festival van een nieuwere tijd vertegenwoordigen, bleek mij onlangs uit het oudste doopregister betreffende de Waalse Kerk alhier waarin, op het jaar 1625 of daaromtrent, een Fransman belemmerd die dat dubbel beroep uitoefent.)

G’, verder was ‘brouwer in een Roscam tot Delft’”. Daarmee is ontegenzeggelijk aangetoond dat Jan Steen te Delft bezit gewoond en kan zijn daar brouwer geweest, maar niet in het Truweel zoals een legende beseft te verhalen.

Antwoorden Het zo’n schitterend initiatief ten gronde dreigt te gaan via een benepenheid betreffende verongelijkte ego-djes… Wat ons domheid teneinde ook niet te kunnen inzien hetgeen echt essentieel kan zijn een plaats.

alsnog gebruikelijke meestoof, dat echter tevens nagenoeg tot een antieke geschiedenis kan zijn kunnen behoren. Ons dergelijke inrichting vind ik in dit register voor geen enig ander woonhuis vermeld.

Op een hoek aangaande een Breesteeg met de westzijde betreffende een Koornmarkt stond toen de brouwerij ‘Inde Werelt’, werkende met 1 eest en 2 ketels. Zeven huizen verder noordwaarts­ “de brouwerije ‘Inde Pauwe’, daervan eyghenaer kan zijn Jacob Pauw ende kan zijn oock bewoonder; sijn vrouw is aengheefster”.

Een westzijde over dit Vrouwjuttenland was betreffende lieden met alle mogelijke festival bevolkt, waaronder een Lambrecht Cornelissen. Hij oefende het moeilijke ambacht uit betreffende ‘antycksnijder’, het zichzelf vooral openbaarde in het snijden aangaande beelden en figuren in hout, op bestaan ‘antijcks’, dat wil zeggen tot dit model ofwel voorbeeld der Ouden, wier werk en kunst men poogde na te streven.

Met de westzijde betreffende de Jacob Gerritszstraat prijkte in een gevel ons steen, waarna ons voorstelling was uitgebeiteld, waaronder te  bekijken stond: ‘Inden blinden Esel’, een variatie op een meer gebruikelijke epitheta betreffende dom, lui, koppig, enz., welke met het toonbeeld van geduld en eenvoudigheid via een ondankbare mens, die de uitstekende kenmerken van het erg miskende dier te zijnen bate aanwendt, sedert onheugelijke tijden werden bepaald.

Alle huizen en huisjes op een Boterbrug waren destijds eigendom van een stad en met verschillende mensen verhuurd, bijvoorbeeld met een kleermaker; aan ‘Franchois de boode op Middelburch’; met een kuiper; een knoopmaker en anderen.

De meesters over 't Nieuwe Gasthuis zouden hem en bestaan familie daarnaast van een woonplaats ‘versorghen’. Drie dagen later trad een andere ambtenaar in dienst. Aangezien een conditiën, waarna deze werden aangesteld - men lette op het verschil met loon voor een dood en voor het behoud over de patiënt - vrij curieus zijn, heb je bij deze pestmeester hetgeen meer verwijld.

’ Deze heette Floris Balthazars. Naast meester in bestaan werkzaamheid, was hij ook één met een 2 ‘quartiermeesters’ met het derde kwartier welke verantwoordelijk was wegens de optekening betreffende een belastingplichtigen in zijn stadsdeel.

, die een opschrift voerde aangaande ’Stadsdoorenbreyer’. Op dit eerste gezicht schijnt het ambacht moeilijk te verklaren, maar zodra men zichzelf te binnen brengt, wat ‘Stadsdoorn’ kan zijn en bedenkt, dat breijen verder vlechten heet, is dit raadselachtig baantje duidelijk en begrijpt een ieder, dat een titularis tot de stadsarbeiders behoorde en belast was met een taak, een hagedoorn, die onder aan een Stadswal stond, om stokken of palen te buigen, en dicht ineen te vlechten tot ons bijkans ondoordringbare hegge ofwel omtuining ter verdediging betreffende Delft anti een coup de main. [Werknemer voor de stadsplantsoenendienst, dus.]

Met de noordzijde over een Nieuwstraat, oostwaarts op lopend, meer info bemerken wij de ruime appartement en dit ‘comptoir’ met een notaris publicus Ghijsbert over Wijck. Verder de winkel betreffende Annigen Jans ‘lindelaken­coopster’, wier naastwonende Dirck Jansz ‘glaesmaecker’ over bestaan ambacht was. Juiste einde van een rij woonde toen Hans Berchey, welke ‘cramer’ was betreffende beroep. Het wensen zijn zeggen dat hij ons webwinkel hield, waarin hij alle mogelijke waar te koop aanbood, die een Fransen mercerie benoemen: kleine voorwerpen betreffende geringe waarde, oudtijds kramerij geheten.

E. Heeren magistraten dezer plaats gecommitteerd, had deze in dat aanzienlijk deel over Delft 752 haardsteden aangetekend. Na­tuurlijk bedroeg dit reeks eesten en ketels heel wat minder vervolgens in dit 13e kwartier [Koornmarkt, westzijde],

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *